Woordstudie: Heiliging
Deze woordstudie onderzoekt wat de Schrift bedoelt met heiliging, hoe Paulus dit begrip gebruikt, en hoe heiliging zich verhoudt tot de positie en wandel van de gelovige onder de bedeling van de genade Gods.
Heiliging betekent afzondering voor God. Het gaat om door God apart gezet zijn voor Zijn doel, en om een leven dat daarmee in overeenstemming gebracht wordt.
Daarom moet heiliging niet worden verward met zelfverbetering als grond van aanvaarding. In Paulus' brieven begint heiliging bij wat God doet in Christus, en werkt zij vervolgens door in de dagelijkse wandel.
Het Griekse woord hagiasmos duidt op heiliging, heilige afzondering of toewijding aan God. Het verwante woordveld laat zien dat heiliging zowel een gegeven status als een voortgaande praktische uitwerking kent.
Bij Paulus krijgt hagiasmos daarom een dubbele nadruk: wat de gelovige in Christus reeds is, en hoe hij vanuit die positie geroepen wordt te wandelen.
Paulus leert dat Christus Zelf voor de gelovige geworden is wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Daarmee ligt de basis van heiliging in Christus, niet in menselijke opklimming.
[SV] 1 Korinthe 1:30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
In 1 Korinthe 6:11 herinnert Paulus de gelovigen eraan dat zij gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. Dit wijst op een reeds ontvangen positie in Christus.
[SV] 1 Korinthe 6:11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.
Paulus spreekt niet alleen over een positie, maar ook over een concrete roeping in de wandel. Gods wil is heiliging, zichtbaar in levenspraktijk, reinheid en eerbaarheid.
[SV] 1 Thessalonikers 4:3-7 Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij; Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer; Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen. Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een Wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking.
Deze praktische heiliging is geen weg om behouden te worden, maar de passende wandel van wie in Christus apart gezet is.
Heiliging en rechtvaardiging zijn nauw verbonden, maar niet identiek. Rechtvaardiging is Gods juridische uitspraak over de gelovige; heiliging is zijn afzondering voor God, zowel positioneel als praktisch.
Wie deze begrippen vermengt, verliest het evangelie uit het oog. Wie ze onderscheidt, ziet dat de wandel uit heiliging voortvloeit uit een reeds ontvangen rechtvaardige positie, niet andersom.
Paulus spreekt gelovigen aan als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden. De identiteit gaat vooraf aan de oproep tot praktische eigenschappen.
[SV] Kolossenzen 3:12 Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
Hierdoor wordt zichtbaar dat heilig leven niet begint bij zelfdefinitie, maar bij wat God over de gelovige zegt in Christus.
Zie ook: Positie in Christus en Zekerheid van redding.
Efeziers 5 laat zien dat Christus Zijn Gemeente liefheeft en Zichzelf voor haar overgegeven heeft, opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigende met het waterbad door het Woord.
[SV] Efeziers 5:25-27 Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
Gods Woord speelt daarom een centrale rol in praktische heiliging: het vernieuwt denken, corrigeert wandel, en richt de gelovige op Christus.
Paulus dankt God dat gelovigen verkoren zijn tot zaligheid in heiligmaking van de Geest en geloof der waarheid. Heiliging staat hier in samenhang met Gods werk en geloof.
[SV] 2 Thessalonikers 2:13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;
Geestelijke groei onder genade is daarom geen los traject, maar de uitwerking van Gods heiligend werk in het leven van de gelovige.
Zie ook: Geestelijke groei onder genade en Vernieuwing van het denken.
Misverstand 1: Heiliging is de grond van redding.
Nee. De gelovige wordt niet behouden door heiliging, maar wandelt heilig vanuit reeds ontvangen positie in Christus.
Misverstand 2: Heiliging is hetzelfde als zondeloosheid in het heden.
Nee. Heiliging betekent afzondering voor God en groei in gehoorzaamheid, niet foutloosheid op basis van eigen kracht.
Misverstand 3: Positionele en praktische heiliging zijn hetzelfde.
Nee. Positionele heiliging betreft wat de gelovige is in Christus; praktische heiliging betreft hoe hij wandelt vanuit die positie.
Misverstand 4: Heiliging kan zonder Woord en zonder vernieuwing van denken.
Nee. Paulus verbindt heiliging juist met het Woord en met vernieuwde wandel.
Heiliging als positie: de gelovige is in Christus geheiligd, apart gezet voor God, door Gods handelen.
Heiliging als wandel: de gelovige wordt geroepen om praktisch te leven in overeenstemming met die ontvangen positie.
Deze volgorde is beslissend. Praktijk vloeit voort uit positie; positie wordt niet verdiend door praktijk. Zo blijft het evangelie van genade zuiver en krijgt heilig leven zijn juiste plaats.
Zie ook: Wat is recht snijden? en Wat is de verborgenheid?.
Deze woordstudie laat zien dat heiliging in Paulus' onderwijs afzondering voor God betekent, met een duidelijke tweevoudige lijn: de gelovige is in Christus geheiligd (1 Korinthe 1:30; 1 Korinthe 6:11), en wordt tegelijk geroepen tot een heilige wandel (1 Thessalonikers 4:3-7).
Heiliging is daarom niet de grond van redding, maar de vrucht van wat God reeds gedaan heeft in Christus. Gods Woord reinigt en vormt de Gemeente (Efeziers 5:25-27), terwijl de Geest werkt in heiligmaking en geloof der waarheid (2 Thessalonikers 2:13).
Wie positie en praktijk onderscheidt, bewaart zowel de zekerheid van het evangelie als de ernst van een wandel die God eert. Zo groeit de gelovige onder genade in denken, gehoorzaamheid, en leven door geloof.
- Verdieping: Wat is recht snijden?
- Verdieping: Wat is de verborgenheid?
- Verdieping: Positie in Christus
- Verdieping: Zekerheid van redding
- Verdieping: Geestelijke groei onder genade
- Verdieping: Vernieuwing van het denken
- Verdieping: Wandel door geloof en niet door aanschouwen
Aanvullende toetsing: