Woordstudie: Erfdeel en erfgenaam
Deze woordstudie onderzoekt wat de Schrift bedoelt met erfdeel en erfgenaamschap, hoe Paulus deze begrippen gebruikt, en welke plaats zij innemen binnen Gods eeuwig voornemen voor de Gemeente, het Lichaam van Christus.
Erfdeel duidt op datgene wat door God wordt toebedeeld aan wie in Christus zijn. In Paulus' brieven gaat het niet om een aards bezit, maar om een geestelijke en toekomstige erfenis die verbonden is aan de positie van de gelovige.
Daarom moet erfdeel onderscheiden worden van redding. Redding spreekt over vrijspraak en leven door genade, terwijl erfdeel spreekt over de door God gegeven bestemming die hoort bij de erfgenaamspositie in Christus.
Een erfgenaam is iemand die op grond van een vastgestelde positie recht heeft op een erfenis. Paulus past dit toe op allen die in Christus zijn: zij ontvangen niet alleen vergeving, maar ook een door God bepaalde erfenispositie.
Erfgenaamschap is daarmee geen extra status voor een kleine groep gelovigen, maar een rechtstreeks gevolg van de plaatsing in Christus.
Het begrip kleronomia ziet op de erfenis zelf, het toegekende erfdeel. Het begrip kleronomos ziet op de erfgenaam, degene die dit erfdeel ontvangt.
Paulus gebruikt deze woorden om te laten zien dat Gods werk in de gelovige niet eindigt bij rechtvaardiging, maar uitloopt op een volle bestemming in Christus, overeenkomstig Gods raad.
In Efeziers 1:11 zegt Paulus dat wij in Christus een erfdeel geworden zijn, overeenkomstig Gods voornemen.
[SV] Efeziers 1:11 In Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
Efeziers 1:18 verbindt dit met de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfdeel.
[SV] Efeziers 1:18 Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;
Kolossenzen 1:12 spreekt over het deel in de erve der heiligen in het licht, als een gave van de Vader.
[SV] Kolossenzen 1:12 Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht;
Romeinen 8:16-17 maakt duidelijk dat de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn, en indien kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
[SV] Romeinen 8:16-17 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods, en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Hier staat erfgenaamschap in direct verband met toekomstige verheerlijking met Christus. Het gaat dus om een hoopvolle bestemming, niet slechts om taal over het heden.
Galaten 4:6-7 verbindt de gave van de Geest, het roepen Abba, Vader, en de overgang van dienstknecht naar zoon met erfgenaamschap.
[SV] Galaten 4:6-7 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.
Aanneming tot zonen en erfgenaamschap horen daarom samen. De plaatsing in zoonspositie verklaart waarom iedere gelovige in Christus een erfgenaam is.
Zie ook: Aanneming tot zonen.
Paulus spreekt over het erfdeel van hen die in Christus zijn, niet als een tijdelijke aardse administratie, maar als deel aan Gods eeuwig voornemen.
Dit erfdeel staat in relatie tot de positie in Christus: wie in Hem is, deelt in wat God in Zijn genade heeft beschikt.
Titus 3:7 verbindt rechtvaardiging uit genade met erfgenaam-zijn overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven.
[SV] Titus 3:7 Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.
Hier zien we opnieuw het verschil en de samenhang: rechtvaardiging is de grond, erfgenaamschap spreekt over de bestemming die daarop volgt.
Erfdeel is in Paulus' onderwijs nauw verbonden met hoop. Deze hoop is niet onzeker, maar rust op Gods belofte en voornemen.
Efeziers 1:18 noemt tegelijk de hoop van Zijn roeping en de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen. Romeinen 8:16-17 verbindt erfgenaamschap met verheerlijking met Christus.
Zo krijgt erfdeel een duidelijke toekomstlijn: de gelovige verwacht niet alleen behoud, maar de volle openbaring van wat God in Christus heeft bereid.
Efeziers 1:11 plaatst erfdeel in het kader van Gods voornemen, naar de raad van Zijn wil. Erfgenaamschap is dus niet een latere noodoplossing, maar onderdeel van wat God in Christus tevoren heeft beschikt.
Dezelfde lijn klinkt al in Efeziers 1:4-5, waar Paulus schrijft over Gods keuze in Christus voor de grondlegging der wereld.
[SV] Efeziers 1:4-5 Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil;
In dezelfde hoofdstukken van Efeze blijkt dat dit voornemen staat in verband met Gods keuze in Christus voor de grondlegging der wereld. Erfdeel en erfgenaamschap staan daarom in de lijn van Gods eeuwige raad, niet in de lijn van menselijke verdienste.
Misverstand 1: Erfdeel is hetzelfde als redding.
Nee. Redding spreekt over vrijspraak en leven door genade; erfdeel spreekt over de erfenisbestemming van wie in Christus zijn.
Misverstand 2: Alleen geestelijk gevorderden zijn erfgenamen.
Nee. Galaten 4:6-7 en Romeinen 8:16-17 tonen dat erfgenaamschap voortkomt uit de positie in Christus, niet uit een menselijke rangorde.
Misverstand 3: Erfdeel is los van hoop en verheerlijking.
Nee. Efeziers 1:18 en Romeinen 8:16-17 verbinden erfdeel met hoop en toekomstige heerlijkheid.
Misverstand 4: Erfgenaamschap is een randonderwerp zonder praktische betekenis.
Nee. Wie zijn erfgenaamspositie kent, wandelt met meer zekerheid, volharding en gerichtheid op Christus.
Deze woordstudie laat zien dat erfdeel en erfgenaamschap wezenlijke begrippen zijn in Paulus' onderwijs. Kleronomia wijst op de erfenis, kleronomos op de erfgenaam. Beide begrippen staan in direct verband met de positie in Christus.
De onderzochte teksten tonen een duidelijke lijn: erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus (Romeinen 8:16-17), erfgenaam-zijn door zoonspositie (Galaten 4:6-7), erfdeel naar Gods voornemen (Efeziers 1:11), de rijkdom van Zijn erfenis en de hoop van Zijn roeping (Efeziers 1:18), bekwaam gemaakt tot deel aan de erve der heiligen (Kolossenzen 1:12), en erfgenamen naar de hoop van het eeuwige leven (Titus 3:7).
Daarmee wordt het verschil tussen redding en erfdeel helder: redding is de genadige grond, erfdeel is de door God bepaalde bestemming. Iedere gelovige in Christus is erfgenaam, omdat deze positie voortkomt uit Gods daad, niet uit menselijke prestatie.
Wie dit schriftuurlijk verstaat, ziet hoe aanneming tot zonen, erfgenaamschap, hoop en toekomstige verheerlijking samenhangen binnen Gods eeuwig voornemen. Dat geeft vaste troost, zuivere verwachting en richting voor een volwassen wandel onder genade.
- Verdieping: Wat is de verborgenheid?
- Verdieping: Waarom Paulus normatief is
- Verdieping: Positie in Christus
- Verdieping: Wat is onze hoop?
- Verdieping: Geestelijke groei onder genade
- Verdieping: Vernieuwing van het denken
Aanvullende toetsing: