Woordstudie: Genade | Rechtsnijden.nl

Woordstudie: Genade

Deze woordstudie onderzoekt wat de Schrift bedoelt met genade, hoe Paulus dit begrip gebruikt, en waarom de bedeling van de genade Gods fundamenteel is voor de openbaring die aan hem werd toevertrouwd.

Genade is in de Schrift meer dan onverdiende gunst. Genade is Gods vrijmachtige, werkzame welbehagen in Christus, waardoor Hij rechtvaardigt, plaatst, onderwijst en bevestigt. Het is niet alleen het begin van redding, maar ook de sfeer waarin de gelovige leeft en groeit.

Daarom mag genade niet gereduceerd worden tot een enkel moment in het verleden. Paulus spreekt over toegang tot deze genade waarin wij staan (Romeinen 5:1-2), zodat genade zowel fundament als leefruimte is.

Het Griekse woord voor genade is charis. In Paulus' brieven draagt dit woord de gedachte van Gods vrije gave, Gods gunstige toewending in Christus, en Gods krachtig handelen dat de gelovige opbouwt.

Charis staat daarom niet slechts tegenover schuld, maar ook tegenover roem in eigen werken. Waar genade regeert, valt elke menselijke verdienste weg, en blijft alleen Gods gave over.

Ook in eerdere Schriftgedeelten wordt Gods gunst zichtbaar, maar Paulus ontvouwt genade met bijzondere helderheid in relatie tot de openbaring voor de Gemeente. Daarom moet genade gelezen worden in haar volledige bijbelse lijn, met speciale aandacht voor de paulinische uitleg.

In Paulus' brieven staat genade centraal in rechtvaardiging, verzoening, positie en wandel. Daardoor wordt zichtbaar dat de huidige bediening niet wordt gedragen door menselijke prestatie, maar door Gods gave in Christus.

Paulus noemt expliciet de bedeling van de genade Gods (Efeziers 3:2). Daarmee maakt hij duidelijk dat genade niet alleen een leerpunt is, maar het kader van de huidige bediening die hem gegeven is voor de heidenen.

[SV] Efeziers 3:2 Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;

Deze bedeling hangt samen met de openbaring van de verborgenheid. Daarom kan genade niet volledig verstaan worden zonder het paulinische onderscheid in Gods handelen.

Paulus stelt genade en werken als grond van rechtvaardiging scherp tegenover elkaar. Als het uit genade is, dan is het niet meer uit werken.

[SV] Romeinen 11:6 En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.

Deze tegenstelling bewaart het evangelie. Zodra werken als grond worden toegevoegd, wordt genade inhoudelijk ontkend. Daarom is dit vers beslissend in het onderscheiden van zuivere leer.

De Schrift leert dat redding gave van God is, ontvangen door geloof, niet uit werken.

[SV] Efeziers 2:8-9 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.

Ook rechtvaardiging wordt door Paulus verbonden met genade:

[SV] Romeinen 3:24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.

Hierdoor wordt elke menselijke roem uitgesloten, en alle eer gegeven aan Christus' volbrachte werk.

Paulus leert dat de gelovige, gerechtvaardigd uit geloof, vrede heeft bij God en toegang heeft gekregen tot de genade waarin hij staat.

[SV] Romeinen 5:1-2 Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; Door Welken wij ook den toeleid hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.

Genade bepaalt dus niet alleen hoe de gelovige begint, maar ook waar hij staat. Vanuit deze positie groeit zekerheid, omdat de grond buiten de mens ligt, namelijk in Christus.

Zie ook: Positie in Christus en Zekerheid van redding.

Genade staat niet tegenover heilig leven, maar is juist de bron ervan. Paulus zegt dat de zaligmakende genade Gods ons onderwijst om goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden te verloochenen, en matig, rechtvaardig en godzalig te leven.

[SV] Titus 2:11-13 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;

Genade vormt daarom zowel leer als levenspraktijk. Zij bevrijdt van wetticisme, maar ook van losbandigheid, omdat zij de gelovige richt op Christus en Zijn verschijning.

Zie ook: Wandel door geloof en niet door aanschouwen en Geestelijke groei onder genade.

Misverstand 1: Genade betekent dat heiliging onbelangrijk is.

Nee. Titus 2 laat zien dat genade juist opvoedt tot een heilige wandel.

Misverstand 2: Genade is slechts een beginpunt, daarna draait het om eigen kracht.

Nee. Paulus spreekt over genade waarin wij staan (Romeinen 5:1-2).

Misverstand 3: Genade en werken kunnen samen grond van redding zijn.

Nee. Romeinen 11:6 sluit deze vermenging uit.

Misverstand 4: Genade betekent dat recht snijden niet nodig is.

Nee. Juist de bedeling van de genade Gods vraagt om zorgvuldige onderscheiding van wat God in deze bediening bekendmaakt.

De bedeling van de genade Gods (Efeziers 3:2) staat in hetzelfde openbaringskader als de verborgenheid. Genade wordt in Paulus' bediening niet los behandeld, maar verbonden met wat nu geopenbaard is voor de Gemeente in Christus.

Daardoor wordt duidelijk dat genade, evangelie en verborgenheid elkaar niet uitsluiten, maar samen het paulinische onderwijs vormen waardoor de Gemeente wordt opgebouwd in waarheid.

Zie ook: Wat is de verborgenheid? en Evangelie van Gods genade.

Deze woordstudie laat zien dat genade in de Schrift veel meer is dan een vriendelijke houding. Genade is Gods werkzame gave in Christus, waardoor zondaren om niet gerechtvaardigd worden (Romeinen 3:24), uit genade zalig worden door geloof (Efeziers 2:8-9), en staan in een vaste positie van vrede en toegang (Romeinen 5:1-2).

Paulus leert tegelijk dat genade en werken elkaar uitsluiten als grond van rechtvaardiging (Romeinen 11:6), en dat genade de gelovige opvoedt tot een heilige wandel (Titus 2:11-13). Zo bewaart de Schrift zowel de volkomenheid van Christus' werk als de ernst van een leven dat Hem eert.

Binnen de bedeling van de genade Gods (Efeziers 3:2) staat genade in directe relatie tot de verborgenheid en tot recht snijden. Wie deze lijn vasthoudt, ontvangt helderheid in evangelie, zekerheid in positie, en richting voor de dagelijkse wandel.

Terug naar Woordstudies

Aanvullende toetsing: