De bediening van verzoening | Rechtsnijden.nl

De bediening van verzoening

Paulus zegt dat God aan de gelovigen de bediening van de verzoening heeft toevertrouwd en hen tot gezanten van Christus heeft gemaakt. Maar hoe leef je als gezant van Christus in het dagelijks leven? Deze pagina werkt die bediening praktisch uit: in woord en wandel, in de omgang met anderen en in de gewone verbanden van het bestaan.

Paulus spreekt over de bediening van verzoening omdat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoende en vervolgens het woord van die verzoening aan de gelovigen heeft toevertrouwd. [SV] 2 Korinthe 5:18 "En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft." De verzoening is dus een voldongen werk van God, en de bediening ervan is het bekendmaken van wat God reeds tot stand bracht. Daarin ligt geen taak om mensen met God te verzoenen, maar om de boodschap van de reeds bewerkte verzoening uit te dragen.

In die bediening heeft iedere gelovige een plaats. Het gaat niet om een ambt dat aan enkelen is voorbehouden, maar om een opdracht die voortvloeit uit het gezant-zijn waartoe alle gelovigen geroepen zijn. Omdat God de gelovige met Zichzelf verzoend heeft, maakt Hij hem tot drager van diezelfde boodschap. De bediening is zo niet iets dat naast het geloofsleven staat, maar een rechtstreeks gevolg van de positie die de gelovige in Christus heeft ontvangen.

Deze pagina vormt de naar buiten gerichte toepassing van wat eerder is uitgewerkt en herhaalt dat niet. Het evangelie van Gods genade en de normatieve plaats van Paulus worden verondersteld, zie Evangelie van Gods genade en Waarom Paulus normatief is. Waar Vrijheid, geweten en opbouw van elkaar de omgang binnen het lichaam behandelt, richt deze pagina zich op het getuigenis naar buiten, naar hen die Christus nog niet kennen.

Een gezant spreekt en handelt niet uit eigen naam, maar vertegenwoordigt degene die hem zond. Paulus noemt de gelovigen dan ook uitdrukkelijk gezanten van Christus, alsof God door hen bidt. [SV] 2 Korinthe 5:20 "Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen." Gezant zijn betekent dus Christus vertegenwoordigen: niet de eigen mening of het eigen belang uitdragen, maar de boodschap en de gezindheid van Hem Die zendt. De waarde van een gezant ligt niet in hemzelf, maar in Degene namens Wie hij komt.

Daarom draagt de gelovige verantwoordelijkheid zonder eigen verdienste. Hij is gezant geworden niet door bekwaamheid of prestatie, maar doordat God hem in Christus verzoende en hem die plaats schonk. Dat ontneemt elke grond tot hoogmoed en geeft tegelijk een diepe ernst aan de taak: wie namens Christus optreedt, vertegenwoordigt Hem ook werkelijk. De bediening rust zo geheel op ontvangen genade en niet op eigen geschiktheid.

Hierin blijkt dat bediening begint bij wie de gelovige ís in Christus. Paulus verbindt het gezant-zijn rechtstreeks aan de nieuwe schepping: wie in Christus is, is een nieuw schepsel, en vanuit die nieuwe identiteit ontvouwt zich de bediening. [SV] 2 Korinthe 5:17 "Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden." [SV] 2 Korinthe 5:21 "Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." Identiteit en bediening zijn zo onlosmakelijk verbonden: omdat de gelovige rechtvaardigheid Gods in Hem geworden is, kan hij anderen de verzoening bekendmaken.

De bediening krijgt gestalte in zowel woord als wandel. Wat het woord betreft, roept Paulus op met wijsheid te wandelen tegenover hen die buiten zijn, en hij verbindt dat aan een spreken dat aangenaam en doordacht is, als met zout besprengd. [SV] Kolossenzen 4:5 "Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende." [SV] Kolossenzen 4:6 "Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden." Genadige communicatie is dus geen techniek, maar een spreken dat de inhoud van het evangelie weerspiegelt: vriendelijk, raak en afgestemd op de hoorder.

Daarbij hoort de geloofwaardigheid van de wandel. Een spreken over genade dat niet gedragen wordt door een leven waarin die genade zichtbaar is, verliest zijn kracht; juist daarom wandelt de gelovige met wijsheid en koopt hij de gelegen tijd uit. De wandel verleent gewicht aan het woord en maakt het geloofwaardig, zodat het getuigenis niet enkel in woorden bestaat maar in een heel leven dat het evangelie weerspiegelt.

Tot die wandel behoort ook de bereidheid om rekenschap te geven en de vrijmoedigheid om het evangelie bekend te maken. Paulus, zelf gezant in een keten, vraagt gebed opdat hem het woord gegeven mag worden om met vrijmoedigheid de verborgenheid van het evangelie bekend te maken. [SV] Efeze 6:19 "En voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;" [SV] Efeze 6:20 "Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken." Paulus is daarin het voorbeeld: niet door een methode, maar door een leven dat in woord en wandel Christus vertegenwoordigt.

Wie namens Christus optreedt, draagt ook diens gezindheid uit in de omgang met mensen. Paulus onderwijst Timotheüs dat een dienstknecht van de Heere niet twistziek moet zijn, maar vriendelijk jegens allen, bekwaam om te onderwijzen en verdraagzaam. [SV] 2 Timotheüs 2:24 "En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;" Geduld, zachtmoedigheid en respect zijn zo geen bijkomstigheden, maar wezenlijke trekken van de bediening: de boodschap van verzoening laat zich niet met twist of dwang overbrengen.

Juist in de omgang met weerstand en onbegrip blijkt deze gezindheid. Paulus spreekt over het in zachtmoedigheid onderwijzen van wie zich verzetten, in de hoop dat God hun bekering tot kennis der waarheid geeft en zij ontwaken uit de strik van de tegenstander. [SV] 2 Timotheüs 2:26 "En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil." De gelovige reageert op tegenstand dus niet met irritatie of strijd, maar met geduldige liefde, omdat hij beseft dat alleen God het hart kan openen.

Achter dit alles ligt liefde voor mensen. De bediening van verzoening is geen project waarin mensen objecten worden, maar de uitdrukking van een werkelijke bewogenheid met hen die Christus nog niet kennen. Die liefde geeft de omgang haar toon: ze maakt de gelovige geduldig waar anderen zouden opgeven, zachtmoedig waar anderen zouden verharden, en respectvol ook tegenover wie de boodschap afwijst.

Het gezant-zijn beperkt zich niet tot bewuste geloofsgesprekken, maar doortrekt het hele leven. In het gezin toont de gelovige de gezindheid van Christus in geduld en liefde; op het werk geeft hij door betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gewicht aan wat hij belijdt; in sociale contacten laat zijn omgang iets zien van de genade die hij ontvangen heeft. Op al die plaatsen vormt de wandel een stille maar voortdurende vertegenwoordiging van Christus.

Binnen die verbanden ontstaan ook gesprekken over geloof, en juist daar geldt Paulus' oproep om met wijsheid de gelegen tijd uit te kopen en te weten hoe men ieder moet antwoorden. Zulke gesprekken hoeven niet geforceerd te worden; ze groeien doorgaans op uit een geloofwaardige wandel en een oprechte belangstelling voor de ander. De gelovige hoeft geen sluitend betoog paraat te hebben, maar mag eenvoudig en genadig rekenschap geven van de hoop die in hem is.

Zo wordt duidelijk dat de bediening van verzoening veel breder is dan evangelisatiegesprekken alleen. Paulus voelde zich aan allen verplicht en schaamde zich het evangelie niet, omdat het een kracht Gods is tot zaligheid voor een ieder die gelooft. [SV] Romeinen 1:14 "Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar." [SV] Romeinen 1:16 "Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek." Iedere dagelijkse keuze die de gelovige in trouw en liefde maakt, vormt zo deel van zijn getuigenis en draagt iets uit van de genade die hij verkondigt.

De bediening van verzoening is het bekendmaken van wat God reeds in Christus tot stand bracht. Zij rust niet op eigen verdienste, maar vloeit voort uit de identiteit van de gelovige als nieuw schepsel en gezant van Christus. Die bediening krijgt gestalte in woord én wandel: in genadig, wijs spreken en in een geloofwaardig leven, met de bereidheid om vrijmoedig en eenvoudig rekenschap te geven, naar het voorbeeld van Paulus.

In de omgang met anderen draagt de gelovige de gezindheid van Christus uit, geduld, zachtmoedigheid, respect en liefde, ook tegenover weerstand, en dat doortrekt het hele leven, in gezin, werk en sociale contacten, breder dan evangelisatiegesprekken alleen. Deze bediening is de naar buiten gerichte vrucht van de persoonlijke geestelijke groei, en zij wordt gedragen door de hoop en volharding die in Wat is onze hoop? worden uitgewerkt.

Verdieping vanuit Woordstudies: